Blog 29: Logo 1-6 R.V.A. Meester Cornelis, Oedjoengmentang, Kebalen van october 1946 t/m januari 1947

March 10, 2013

Logo 1-6 R.V.A. en plaatsen waar mijn vader met de A-batterij van october 1946 t/m januari 1947 was

Logo 1-6 RVA met kerstkaart

Vanaf januari 1947 schrijft mijn vader op briefpapier met het logo van 1-6 R.V.A. met bijbehorende enveloppe. In voorgaande brieven schrijft hij al: ‘Ik heb mijn klamboe met houtskool gedoopt. Het zijn twee gekruiste kanonskogels met 1-6 R.V.A. eronder en het wapen van de artillerie. Ik heb het in de vorm van een vaandel gemaakt.

Ook heb ik een krabbel voor een stempel gemaakt en met jouw kleine mesje het stempel uitgesneden uit hout. Op zondag nog wel, het is niet goed geloof ik. Gedenk de sabbat dat gij die heiligt. Ik heb de afdruk op de achterkant van de enveloppe gedrukt maar die is nog niet goed gelukt, ik heb geen stempelinkt. Met potlood heb ik het een beetje bijgewerkt.

Gister heb ik nog een schetsje gemaakt voor een briefhoofd. De kapitein was er best tevreden over en wil het laten drukken. Ik hoop dan ook wat van dat schrijfpapier te krijgen. Hoe vind je het ontwerpje schat?’

Later in januari 1947: ‘Ik heb de wacht en ga nu weer even met jou praten. Ik zit buiten in de schaduw en heb een prachtig gezicht op de omgeving. Het is heerlijk weer schat. De zon gaat schuil achter lichte wolken. Zo nu en dan een lekker koeltje. Hoe vind je mijn nieuwe schrijfpapier schat? Het is precies zo uitgevoerd zoals ik het tekende. Ik heb een blok van 100 vel met 100 enveloppen. Ik geloof wel dat ik het aan beide kanten kan beschrijven. Ik begin nu met een nieuwe nummering, ik heb ze genummerd van 1 tot 80 en hou 20 over voor deze en gene. De enveloppen met kerstkaart kosten 6 ct per stuk.’

Mijn vaders stempel in drukwerk uitgevoerd.

logo 1-6 RVA van de C-Batterij

Het is geweldig om eerst de aankondiging te lezen van de schets, de stempel, dan de enveloppe met stempel tegen te komen en uiteindelijk de drukplannen terug te zien in de verstuurde kerstkaart en het drukwerk in gebruik. Geen idee dat mijn vader het ontwerp voor het logo had gemaakt op de nette enveloppen vanaf januari 1947.

 

Van Meester Cornelis naar Oedjoeng Mentang (nu Ujung Mentang) naar Kebalen

In brief 14 van januari  ’47 laat mijn vader op een getekend kaartje het gebied op Java zien, dat in handen is van het Nederlandse leger.

Het schetsje is moeilijk te scannen omdat de inkt licht is en het heel klein is getekend.

Situatieschets

 ‘‘We hebben bitter weinig van Java in handen.’ Het is een verbazingwekkend kleine postzegel op een heel groot eiland, beslaat een deel van West-Java, een gebied rond Batavia, nu Jakarta

  • Priok, onderdistrict in noord Jakarta, aankomsthaven van de troepen
  • Meester Cornelis, een dichtbevolkt onderdistrict in oost Jakarta. Toen een militair kamp, al in 1746 opgericht
  • Tangeran, nu een buitenwijk van Jakarta, toen lag mijn vaders zwager Wiebe daar
  • Depok, inmiddels onderdeel van groot-Jakarta
  • Buitenzorg, nu Bogor vanaf eind 1949
  • Bandoeng, nu Bandung, hoofdstad van de provincie West-Java
  • Bekassi, nu een van de grootste forenzensteden ten oosten van Jakarta
  • Krandji, vanuit Oedjong Mentang werd vooral hier water gehaald uit de reservoirs
  • Oedjoeng Mentang, nu Ujungmentang
  • Kebalen, waar toen artillerie en infanterie gelegerd waren en waar nu weinig specifieks over te vinden is
  • Babakan, waar toen KNILtroepen lagen
  • kamp Toeloekpoetjong

En nog wat andere havens behalve Priok, mijn vader weet niet welke op dat moment in Nederlandse handen zijn. Zijn schets van de postzegel verbaast me zo. Vreemd dat ik altijd veel groter denk en toch ook wel weet dat alles meestal veel kleiner is dan ik mij voorstel. Kleiner in de goede zin, ook in de zin van dichterbij, begrijpelijker. Hoe dichterbij hoe begrijpelijker. Maar je ziet het pas als je er goed naar kijkt.

De schaal, de vertwijfeling over het nut van daar zijn, het slingeren tussen het dagelijks settelen, het avontuur van alles tegenover het extreem vreemde van het geheel.

De eeuwige pendeling tussen wel en niet vertrouwen op ús heit (god), wel of geen steun ondervinden vanuit die hoek. Het moet, hij hoort het te willen, maar in de praktijk valt het niet mee en werkt het meestal niet en dan toch volhouden.

Nu ik verder ben met de brieven, half januari ’47, kan ik beter interpreteren wat er in het voorafgaande speelde. Kan ik beter het belang zien van de beschrijvingen, of het gaat om het opknappen van de kampen, de maaltijden, de sfeer naar aanleiding van de politiek, de toenemende dreiging naarmate ze naar andere plaatsen verkassen.

Het kleine schetsje maakt dat ik teruggrijp naar de plaatsen waar mijn vader al weer uit vertrok. Over Meester Cornelis en Oedjang Mentang is al het een en ander beschreven in voorgaande blogs, zie de blog Taboe in het theemeubel. 

 

Het is lastig om uit de enorme hoeveelheid tekst van de brieven te kiezen. Moet ik de volgorde van mijn vaders dagelijkse beschrijvingen aanhouden? Dan krijg ik een versnipperd geheel en bovendien, er is zoveel, ik kan het onmogelijk allemaal hier weergeven.

Ik heb nu over october/november ’46 tot en met half januari ’47 enkele fragmenten bij elkaar gezet, mijn vaders tekst zoveel mogelijk intact latend. Om de glijdende lijn van het dagelijkse tegenover de twijfel en het extreme te zetten. Ook dan heb ik al weer zoveel, het worden twee blogs.

 

Knappe huisjes in Meester Cornelis

‘Van Priok gaan we naar meester Cornelis, het is een kamp met huisjes 3 à 4 km buiten Batavia, in de 1e Staatsspoorbaan. De huisjes staan haast allemaal nog, maar zijn leeggehaald en verwaarloosd en erg gehavend, stukken uit de muur, ramen en deuren weggehaald. Bij ons zou het onbewoonbaar zijn maar hier geeft het niet, het is altijd warm.

Met 5 man zitten we in een huisje, met open ramen met zonneblinden ervoor. We hebben een slaapkamer, een kamer waar we eten en drie kamers die we niet gebruiken. Electrisch licht, een tafel, bank en 2 kasten. Luxueus. Achter het huis is de baadkamer, een betonnen bak waar we niet in mogen wassen maar waar we met een blik water uit scheppen en ons zo wassen. Lekker fris. Het wordt alle dagen bijgevuld. We slapen op opvouwbare brancards die heerlijk liggen. Ik slaap op mijn deken. Het is warm maar ik kan er best tegen.

 

Zo gezellig mogelijk

Ik heb onze zitslaapkamer op orde gebracht en ik heb het zo gezellig mogelijk ingericht. Ik kon lampenpitten op de kop tikken en heb 3 rieten stoelen georganiseerd, die van mij is een soort bureaustoel. Ik heb het mooiste en grootste schrijfbureau. Dat staat tegen de muur met het kleine kastje erop. Een los deurtje gebruik ik als fotolijst. Een paar lange banken voor onze eetsalon.

De munitie is uitgereikt nu zijn we allemaal schietklaar en mijn weekdienst is begonnen.

Vaak ben ik bang, ik ben nog geen echt kind van god. Als het nog eens tot een treffen komt met de extremisten, zal ik dan ook bang zijn? Ik weet het nog niet. Misschien dat ik dan juist kracht van ús heit krijg en mijn vertrouwen in hem stel.

M.G. is kwartiermaken voor de volgende ligplaats, 10 km van hier.

Het moet er erg primitief zijn, geen huizen maar tenten, geen water, we zijn op de waterreservoirs aangewezen en moeten waterrijden met tankauto’s. Dat wordt een hele ommekeer.

Daar zitten we tegen onveilig gebied aan. De Brits Indiërs die er nu zijn verdwijnen als wij komen. Er blijft een groep van 30 infanterie over, met hen erbij zitten we met 90 man. We zullen er patrouille moeten lopen, misschien onze eerste harde noot kraken. De meeste kampongs zijn er verlaten, er wordt nog wel gerampokt.

 

Modderig tentenkamp in Oedjoengmenteng

‘Het tentenkamp valt mee, de weg er naar toe is slecht. Saja (ik) zit met M.G. en L.H. in een tent. Ik heb het zo gezellig mogelijk gemaakt, het papieren kleedje met papieren bloemen weer op de tafel gezet.

Er staan een paar wrakke, donkere gebouwen, officieren en een deel van de jongens gaan er in. Er is een keuken, we stoken op benzinebranders net als de Canadezen. Voor een tent is het luxueus, twee tafels, eentje om te eten en eentje om te schrijven. Ik heb het kastje, onze kisten en de stoelen meegenomen. Nog een bureautje georganiseerd. De vloer is van modder. Achterin slapen we.

Er zijn enorme plensbuien met pijpenstelen, ik heb me er in mijn onderbroek in staan wassen. Gelukkig is onze tent dicht, er zijn al jongens uit hun bed geregend. Het kamp is een modderpoel, sommige tenten lopen onder. Zodra de Brits Indiërs er uitstapten, gingen wij er in, en zij leven veel primitiever dan wij. Er wordt hard gewerkt om het kamp bewoonbaar te maken. Een groepje van de genie is bezig met bouwen.

Het is hier niets voor jou Nan. Elke dag onweer, weer een knetterslag en spoelbuien, we zitten vlak voor de natte moesson.

 

Aan jouw brieven heb ik meer dan aan ús heit

Ik heb moed Jank en ben gelukkig. Aan jouw brieven heb ik meer troost dan aan ús heit. Dat is niet goed geloof ik maar het is wel eerlijk.

 

Cantine

‘k Heb gister de hele dag hard gewerkt, mijn mooiste dag tot nu toe in Indië. Er moest een cantine komen en Klaas moest daar voor zorgen. Ik heb 4 jongens uitgezocht en we hebben de hele dag hard en plezierig gewerkt. Onze cantine, genaamd ’t Vette Hompie en met de scheldnaam  de Ark, is bijna klaar. Drie tenten staan achter elkaar, de voorste voor het buffet, beide andere voor de jongens. Er is ook een eetzaal. Er kwam heel wat bij kijken voordat de grote tenten gespannen waren.

Cantine ‘t Vette Hompie, bijnaam de Ark

We kunnen wel een stootje verdragen. Het kamp is met prikkeldraad afgezet en er zijn overal loopgraven en schietgaten. Laat ze maar komen. Er is in de twee dagen dat we hier zijn, nog geen schot gelost, er is een staakt het vuren. Het is hier niet gevaarlijk, het is er net zo veilig als in Wezep.

 

Zieken en goedangs

Ik heb wacht van 6.00 tot 6.00 en schrijf nu in het wachtlokaal. Er is geen electrisch licht, ik schrijf bij de petroleumlamp. Een knijpkat is hier onmisbaar. Zonder kan ik geen ronde lopen. Ik heb wel 2 kilo modder aan mijn schoenen hangen. Elke nacht knijp ik de kat in het donker.

We hebben verscheidene zieken, diarree, daarom zit ik alweer op wacht. En ben dus gezond.

De toestand in ons kamp wordt steeds beter. De eerste loods is al in gebruik, de tweede schiet op. Ze bouwen goedangs, Indische loodsen. Er is ook eentje voor ons bedoeld maar wij blijven liever in onze tent, die loods wordt ziekenzaaltje en opslag.

Het geraamte (balken en spanten) bestaat uit bamboe. Het dak is van smalle bladeren van een soort palm, over elkaar zoals bij riet. De wanden zijn van platgeslagen en gevlochten bamboe, licht en sterk spul. Spijkers worden zelden gebruikt, alles wordt met kokostouw aan elkaar gebonden. Je staat versteld van wat ze met bamboe doen en hoe ze het doen. Zal ik er een voor ons bouwen liefste?

De nachtverlichting rond het kamp is ook bijna in orde, dan kunnen we niet meer beslopen worden.

 

Zelf een leiding gelegd

Er is een lichtnet in het kamp gemaakt en ze hadden onze tent overgeslagen. De meeste tenten worden afgebroken en opgeruimd, maar onze tent blijft. Dus moest ik licht hebben. Ik heb  een rol draad van de seiners gepikt, en zelf een leiding gelegd.

Kreeg al gauw 2e ltn L. op mijn dak, dat ik bij hoog en laag de tent niet mocht aansluiten omdat de lijn overbelast zou worden. De elektricien had mij zien lopen en heeft bij de off geklaagd. Ik heb een hartig woordje met hem gesproken en toen heeft hij, tot ergernis van L, de aansluiting in orde gemaakt.

 

Actie bij Bekassi, flink vernield

Ik was met de waterwagen mee naar Bekassi, 8 km verderop, het is helder en fijn bronwater. Mooi, wijde vlakten met moeras, omgeven door  klapperbomen en andere bomen, karbouwen.

Bekassi is flink vernield, ik weet niet door wie. De verkeersbrug is opgeblazen en hersteld, net zoals over de IJssel. De spoorbruggen zijn er nog. Ik denk door de extremisten maar ik vraag het nog eens. Heb je er belang bij liefste?

 

Vijf afgeslacht

Gister is hier bij Bekassi slag geweest met de zwarte buffels (extremisten). We hebben er 5 afgeslacht, aan onze kant zijn tot nog toe geen verliezen. De Ambonese KNIL en een groepje Hollandse infanterie zijn er mee bezig. Ik kon het schieten horen. Er slopen hier ook kerels rond het kamp. Ik denk dat ze nog nooit electrisch licht zagen en dat ze even kwamen kijken. Maar op het brenti (halt) van de wacht doken ze de duisternis weer in, en zijn ze niet meer gezien.

De A-batterij is niet in actie gekomen. Onze kanonnen staan ook in stelling maar kunnen nog niet schieten, ze zijn nog niet compleet. De extremisten zijn nog niet direct aan ons toe. Wanneer er een actie komt, schieten we vanaf hier. We kunnen 20 km schieten en kunnen ze behoorlijk op afstand houden.

 

Namen doorgeven tot zeker is of een soldaat ook echt dood is

Ik las later in de toegestuurde krantenberichten dat bij de actie bij Bekassi tanks en artillerie gebruikt waren, dat klopt niet met de werkelijkheid. De berichten over de gesneuvelden kloppen niet altijd, dat is in elke oorlog het geval. Ze geven niet alle namen op, het houdt ook verband met dat ze vaak niet weten wie er gesneuveld is en wie vermist is en de vermisten kunnen nog terugkomen. Ze geven niet eerder namen op tot dat ze zeker weten of een soldaat ook echt dood is.

Het is nu weer rustig in de omgeving, ’t wordt in Holland vaak sterk overdreven.

 

Met de gevechten doen wij niet mee hoor

Nee pop met die gevechten doen wij niet mee hoor. Wel rukt de infanterie meer uit. Zo nu en dan zijn er nog schermutselingen. Vandaag ook nog gevechten. 10 Jongens van onze batterij waren mee maar hebben niet uitgevoerd. Maak je niet bezorgd lieveling. Ik ben in goede handen. Ja liefste dat is het enige wat je kunt doen, bidden.

We hoorden dat de kamer de voorstellen heeft aangenomen en daarmee heeft het Nederlandse leger volgens mij gecapituleerd. Wij zijn allemaal in een peststemming. Welk nut heeft het dat ik hier nog langer ben? Nu kunnen we voortaan in de houding klimmen voor de TRI officieren, maar dat is er niet bij. Van ons krijgen ze geen samenwerking.

We hebben gehoord dat onze jongens het zwaar hebben in Sumatra, er sneuvelt er nog al eens een. Zij halen de kastanjes uit het vuur en voor wie? De jongens zijn allemaal razend over de erkenning van Soekarno. Zijn wij hier dan toch vergeefs naar toe gegaan? God weet het, hij heeft zijn bedoeling met ons, ook met mij. ’t  Is wel eens moeilijk om voor ogen te houden waarom we hier gekomen zijn.

 

Zijn wij hier dan toch vergeefs naar toe gegaan? Op Mook wordt even hard gevloekt als op Soekarno

Liefste, ze zitten hier in de tent zo zwaar te sneren dat ik mijn kop er haast niet bijhouden kan. De gemoederen zijn verhit. Op Mook wordt even hard gevloekt als op Soekarno. Die overeenkomst zitten we mee in onze maag schat. We mogen niks anders doen dan ons verdedigen. Maar als de kerels beginnen, is het ons recht om ook niet precies tot het streepje, dat de overeenkomst voorschrijft, te gaan en krijgen ze op hun donder.

Trouwens vaak interesseert de hele rotooi me niets meer. Jij zult er ook wel een punthoofd van krijgen, van al die verschillende meningen. Zit er maar niet over te prakkiseren schat. Je kunt beter naar de bonte D-trein luisteren dan naar het geouwehoer van diverse heren die van Indië net zoveel weten als een boer van een kanon.

Stop genoeg hierover.’

 

Vervolg: van Oedjoeng Mentang naar Kebalen in blog 30.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *