Blog 25: 17 Januari mijn vaders verjaardag, 1ste patrouille en verhuizing van Meester Cornelis (Batavia) naar Oedjoeng Mentang (december 1946)

January 17, 2013

Tussen blog 24 en 25 zit drie maanden ‘radiostilte’. Soms komt een mens zichzelf vierkant tegen, soms gebeuren er zoveel dingen tegelijk dat een mens ondersteboven in de touwen hangt, soms is het goed even pas op de plaats te maken. Om vervolgens in goede moed en vol ornaat het strijdgewoel weer te betreden.

In blog 24 kom ik tot de conclusie dat mijn vader is wie hij is, een mens van vlees en bloed. Spitten in de brieven van mijn vader om, het liefst misschien wel gruwelijke, omstandigheden te vinden, die hem voor de rest van zijn leven tekenden, is niet meer nodig. De man heeft geen rechtvaardiging of verklaring nodig om te zijn wie hij is.

Mijn vergeten kindertrots heeft weer kleur gekregen door wat ik tot nu toe las in de brieven, de jarenlange beladenheid is, nu al, verlicht. Ik sla een grote, rode warme sjaal om mij heen en kan eindelijk onbevooroordeeld, met open ogen lezen, wat mijn vader in Indië meemaakt. Ik ga verder met zijn brieven van december ’46 en volg zijn wederwaardigheden, die hij zo eerlijk en mooi aan mijn moeder vertelt.

17 Januari is mijn vaders geboortedag. Een mooie dag om de draad van Taboe in het theemeubel weer op te pakken. Laat de verhalen de vrije loop.

 

Omstandigheden rond Meester Cornelis, eerste patrouille, nachtpatrouille

‘Er is een patrouille onderweg van de infanterie. Ze hebben ons weer te veel verteld dat het hier zo gevaarlijk is. Tot nog toe is het rustig en gebeurt er niets. Door geregeld te patrouilleren blijft het rustig en kunnen de extremisten niet terugkomen.

De Brits Indiërs hielden er een andere methode op na, die bleven in het kamp en gebeurde er iets in een naburige kampong, dan schoten ze er net zo lang op los tot alles plat lag. Daardoor hebben ze voor wat enkelen misdeden, allen aansprakelijk gesteld, veel vernield wat niet nodig was en de vijandschap van de bevolking op de hals gehaald. Wij moeten weer opnieuw beginnen.’

‘Ik werd gevraagd om op nachtpatrouille te gaan, om een kampong te omsingelen waar extremisten zaten. Het is mijn eerste patrouille. Om 2.15 uur gewekt, 30 man sterk, als gids een Ambonees en ik als enige wachtmeester. Eerst thee en een lunchpakket. Kogel in de kamer en we gingen op stap. ’t Was een prachtige nacht met een heldere maan. We doken ver van de spoorbaan de kampongs in, die allemaal in diepe slaap waren. Later passeerden we een groot autokerkhof, een paar km verderop moest de bewuste kampong zijn. Gister was er een patrouille geweest en die had militaire kleding en papieren gevonden.

Het was een soort hoofdkwartier en de vogels waren gevlogen. Daarom gingen wij op nachtpatrouille in de hoop hen te snappen. Maar we moeten veel en veel eerder opstaan om die gladde rakkers te vangen. We waren nog maar net het autokerkhof gepasseerd en liepen over een open vlakte, toen er twee schoten vielen uit een andere kampong.

 

Eerst eten, hutspot

Ik ga eerst eten. Hutspot, een handjevol pinda’s en een onrijpe ananas. Het heeft me werkelijk, op de ananas na, lekker gesmaakt. Daar krijg ik weer drie brieven van je, hoera. Ik schrijf eerst even verder, je brieven bewaar ik voor straks en beantwoord later.

Even later zag ik lichtseinen en had het toen al door. We liepen in twee rijen achter elkaar, ik dekte de zaak en liep dus achteraan. Toen we aankwamen hebben we posten uitgezet zodat er geen muis meer tussenuit kon. Er bleven tien man over voor onderzoek van de huisjes, waar ik ook bij was. We hebben zolang gewacht tot het licht werd. We hadden net zo goed thuis kunnen blijven, ze waren hem gepiept. Wel vonden we nog een paar militaire kledingstukken, die we meegenomen hebben, maar voor de rest was er niets te vangen. Het uitvragen van de kampongbewoners heeft geen zin. Want ze laten uit vrees voor ons en nog meer voor de extremisten, niets los. Alleen als je werkelijk zo’n knaap gevangen hebt komen de bewoners van alle kanten opzetten en vertellen ze wat de extremisten allemaal op hun geweten hebben.’

 

Liever oprollen en uitroeien?

‘Ook onder ons zijn er velen die niets liever zouden doen dan de hele zaak oprollen en uitroeien. Ze denken nog te veel Nederlands en kunnen zich de levenswijze van het Indische volk niet begrijpen. Voor hen zijn het geen door god geschapen mensen maar bruine honden.

Aan ons gelijk worden ze nooit en als gelijk kun je ze niet behandelen, maar wel meer waarderen dan tot nog toe is gedaan door Holland. Het oude systeem is er nog lang niet uit. ’t Zijn de baboe en de djongos, de huisbedienden, maar. Daardoor trap je naar beneden in plaats van te helpen. Punt. Het is een ontzettend moeilijk probleem schat.’

‘De mensen zijn doodsbang en roepen van verre soms Tabee Toean, dag mijnheer. De meesten nemen hun strohoed af en maken een diepe hoofdbuiging.

‘Tijdens het onderzoek waren er vreselijk zenuwachtige vrouwen. Er waren weinig mannen, de meesten daarvan oud. De Ambo kroop overal op en onder. Toen we alle huisjes afgezocht hadden, verzamelden we weer en peuzelden ons eten op.

We zaten buiten de kampong op een kale begraafplaats. Enkele graven hadden kleine 50 cm hoge steentjes of ruw gemetselde muurtjes, alles erg slordig en verwaarloosd. Het eten smaakte best.

De jongens vonden het een interessante tocht, ik ook hoor.

We hebben ook nog een andere kampong doorzocht, ook zonder resultaat. De mensen waren minder bang en vriendelijker. Ik heb er lelijke vieze vrouwen gezien die sirih pruimden, hun hele mond en handen waren vies rood, Harrebarre. Om 8.30 uur waren we weer terug, alles was op z’n dooie akkertje gegaan.’

 

Rampokkers in een dorp verderop, spion werd erg mishandeld

‘Het kamp was in rep en roer, bewoners van een dorp verderop meldden dat er rampokkers waren. De infanterie ging er meteen op af. Het bleek om Ambonese militairen te gaan, een paar vrouwen hadden hen zien lopen en hen voor extremisten aangezien. De infanterie kwam na een half uurtje terug met een inlander die ze voor zich uitschopten, hij werd erg mishandeld, dat kan ik niet goedkeuren. Het bleek om een spion te gaan. Bij controle werd hij betrapt met valse papieren. Hij wordt door twee Hollandse KNIL-militairen ondervraagd. Ze hebben hem eerst een sigaret gegeven en nu zijn ze al meer dan een uur met hem bezig. Ze schrijven alles op en maken tekeningetjes, het schijnt om een heel complot te gaan.’

 

Oedjoeng mentang tussen Krandji en Bekassi, primitief, er wordt gerampokt

‘Morgen verhuizen. Het kastje en de twee kofferladenkisten en beide rieten stoelen, potjes met papieren rozen gaan mee. Het is 10 km van waar we nu zitten. Ik moet verkeersagent spelen, het wordt een hele optocht, om 5.30 uur onder de klamboe vandaan, 6.00 uur de A-batterij wekken. Om 7.00 uur appel en daarna eten uitdelen, 8.00 uur ziekenrapport.

Het moet er erg primitief zijn, er zijn geen huizen maar tenten, er is geen water. We zijn op de waterreservoirs aangewezen en moeten waterrijden met tankauto’s. Dat wordt een hele ommekeer. We zitten daar tegen onveilig gebied aan. De Brits Indiërs die er nu zijn verdwijnen wanneer wij komen. Er blijft een groep van 30 infanterie over, met ons erbij zitten we met 90 man. We zullen er patrouille moeten lopen, misschien onze eerste harde noot kraken. De meeste kampongs zijn er verlaten, er wordt nog wel gerampokt.

Het wachten is op de uitslag van de besprekingen van de hoge heren die aan de touwtjes trekken. Wij bidden samen dat god de vrede spoedig wil brengen en hij ons voor elkaar sparen wil en kracht geven voor ons beiden zo moeilijke taak.’

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *